(Kunst)geschiedenis van de streek



Cultuurhistorische hoogtepunten in de Franse Ardennen en directe omgeving beschreven door Annelies Abelmann.  

www.anneliesabelmann.com





Op zoek naar verloren vliegvelden en een kerk in de vorm van een viola da gamba








Als de dag alleen maar bestaan had uit het bezoeken van onzichtbare vliegveldjes uit de Eerste Wereldoorlog en daartussen gestrooide dodenakkers had ik het ook wel goed gevonden, maar manlief vond het toch wat al te martiaal worden. Daarom kwam het goed uit dat in het gebied waar de vliegveldjes ooit gelegen hebben, de kerkhoven netjes aangeharkt en opgeknapt als gevolg van het eeuwjubileum er ook een merkwaardige kerk gelegen was in een plaatsje met naam Asfeld.
De zoektocht naar de vliegvelden uit de Eerste Wereldoorlog op de vlakke akkers rondom plaatsjes als Juniville, ook bekend van de ‘route Rimbaud-Verlaine’ had uiteindelijk niet meer dan een indruk gegeven van de ruimtelijkheid waarin de eerste oorlogmachientjes het blauwe luchtruim kozen vanaf 1916. Het kasteel dat er geweest moet zijn, bleek veranderd in een moderne woonwijk in aanbouw en van het complex stond alleen nog een vuilgele stenen muur. Veel romantisch was hier niet meer te ontdekken. De gedetailleerde studie die geliefde van de situatie gemaakt had, was gebaseerd op een uitgebreide studie vorig jaar gekocht in de boekhandel van Charleville-Mezières, natuurlijk vernoemd naar Rimbaud. Een amateurhistoricus had een huzarenstukje verricht met deze studie: steeds vaker val je als onderzoeker van welk formaat dan ook terug op werk van zogenaamde amateurhistorici. Mensen die vanuit een bepaalde, lokale of regionale optiek een onderwerp uitspitten en alles boven de grond weten te krijgen. Ze hoeven zich niet druk te maken over wetenschappelijke methoden en theoretische inkadering. Maar al te vaak worden deze studies geplunderd door minder met tijd en inzet begenadigde intellectuelen.
Ik moet wel eerlijk zeggen  dat de fascinatie voor de vliegerij in de Eerste Wereldoorlog mij niet erg gegeven is, maar ik vind het leuk om mee te gaan in een ongeschreven jongensboek. Ik ben er mee getrouwd zal ik maar zeggen. Was dat niet zo, was het een imaginaire novelle of achterhaald sonnet dan was ik vermoedelijk al lang uitgelezen.




Van de twee kerkhoven was één erg indrukwekkend. Uitgerekte rijen met christelijke en enkele joodse en islamitische graftekens en een massagraf waar alle ongeïdentificeerde knekels ingekieperd waren. Gelukkig was er een monument geplaatst en één van de weinige expressionistische overigens. Ach, elke stijl maakt indruk op zo’n veld.



Aan de kerk wil ik wat meer aandacht besteden. Het is zo’n merkwaardig bouwwerk dat je even twijfelt of je het serieus moet nemen. Het ligt in een onooglijk Frans dorpje op een groot en kaal plein, dat vermoedelijk oorspronkelijk behoord heeft bij een kazerne op militaire opleidingsschool. Té groot voor de toch voornamelijk boerenbevolking. De geknotte wilgen in kale kledij gaven het plein iets dreigends en de wolkenluchten, waaruit af en toe een nat bombardement viel, verhoogden de sfeer.




Met een ingehouden adem liep ik naar het gebouw. Manlief stond er voor om het tekstbord te lezen. Ik vond het zo’n vreemd bouwsel, dat ik echt geen idee had hoe ik dit moest plaatsen. Gelukkig bracht het bij de ingang aangebrachte bord en een aardig gestencild blaadje wat méér informatie.




Het bouwwerk werd gebouwd in opdracht van de burgemeester Jean Jacques de Mesmes, graaf van Avaux (1640-1688) die de Vredes van Nijmegen in 1679 had mede mogen ondertekenen, die onder meer een einde maakte van de oorlog van de Republiek met Frankrijk die culmineerde in bijvoorbeeld het beleg van Maastricht. Ter ere van die eer liet hij in 168o deze kerk bouwen. Hij vroeg de Dominicaner bouwheer Francois Romain (1647-1735) om een kerk te bouwen in de vernieuwende stijl van de barok met een muzikale twist. De vorm van viola da gamba moest terug te zien in het ontwerp en in de uiteindelijke uitvoering zodat de muziek en de zang nog beter naar de hemel zouden kunnen opstijgen. De kerk werd opgedragen aan S. Didier van Rennes die in conflict kwam met een ketterse bisschop in Straatsburg en door een godsgericht de strijd won. Op de terugweg door de Vogezen werd zijn gezelschap overvallen en vond hij de dood. Niet helemaal duidelijk is wat de relatie met Asfeld en de bouwheer zou kunnen zijn.




Een aardig weetje over de architect is, dat hij eerder de Servaasbrug in Maastricht gebouwd had in 1684 en dat hij zijn toekomstige opdrachtgever vermoedelijk ook in die stad heeft ontmoet. Zijn ervaring kon hij gebruiken om de Pont Royal in Parijs aan te leggen en opzichter te worden van de wegen en bruggen in het arrondissement Parijs.
De bouwheer was een erudiet man, een man der letteren die een grote bibliotheek bezat en studiereizen maakte. Hij was lid van de Franse Académie en kon zich bewegen in de hoogste Franse kringen. Hij was ceremoniemeester van de meest prestigieuze kerkelijke ridderorde van Frankrijk, de ‘Ordre du Chevaliers de Saint Esprit’.
Het gebouw bestaat uit drie delen, een peristyl omgeven door een colonnade met een dak, een campanile met een klokkestoel en een rotonde die de romeinse bouwkunst moest verbeelden. Ik waande mij weer even in de collegebanken bij mevr. dr. Isings om de architectuur en bouwstijlen uit de klassieken uitgelegd te krijgen. Mooie colleges waren dat.




Ik zal eerlijk zeggen dat de woordenschat mij ontbreekt om zonder verdere studie een goede beschrijving van het gebouw te geven, maar de gebogen lijnen worden voortgezet in de kappelletjes die een kleine galerij vormen van mindere hoogte. Elke kapel heeft een absidiool, mooi woord voor een klein koor. Volgens het informatiebord telt de kerk 138 pilaren en heeft het een lengte van bijna 45 meter en een omtrek van 145 meter. Het geheel is opgetrokken uit baksteen, dat de vervreemding verder verhoogt. Je verwacht eerder een wit gepleisterd gebouw.
Rond 1900 werd de kerk verrijkt met een orgel van de fameuze orgelbouwer Clovis Renault, waardoor de muzikale lading  werd versterkt werd. De schilder Rostislas Loukine (1904-1988)  schonk een icoon aan de kerk voorstellende Maria met de apostelen Petrus en Paulus. Deze in de entourage van Nicolas de Staël opgeleide kunstenaar, vervaardigde iconen naar voorbeelden uit zijn moederland en naar eigen inventie. Hij illustreerde ook de fabels van La Fontaine. Zijn werk is vooral bekend in de streek Aube. Ik heb deze kennis achteraf gegeneerd overigens, anders had ik wel een plaatje geschoten van het icoon. Ik ben niet echt gegrepen door deze schilderkunst eigenlijk. Het schijnt heel rustgevend te zijn, ze te maken.
Blijft natuurlijk de vraag hoe de bouwheer op het idee kwam om een violo da gamba als uitgangspunt te nemen voor zijn kerk. In ieder geval is bekend dat de kerk ook een inlossing van een belofte was aan de aartsbisschop van Reims, kardinaal Le Tellier, een broer van één van de rechterhanden van de zonnekoning, Francois-Michel le Tellier (1641-1691) waarbij de toegankelijkheid van het hele construct een voorwaarde was. De invloed van de Italiaans barok is natuurlijk evident, maar dat er géén enkele rechte lijn in het geheel te ontdekken valt is wel opvallend. Ook aan de binnenzijde niet. Aardig is de tweede zuilenrij die de rotonde omgord en waarover een licht valt door ramen, een soort triforium.
Het vrij moderne altaar van E. Romagny is best aardig en laat eveneens geen enkele rechte lijn zien.





De poëzie, eerder dan de muzikaliteit van het gebouw zou in de richting kunnen wijzen van de kring rondom Mme. De Sévigné, die één van de belangrijkste salons hield in Parijs.  Eén lid van de familie De Mesmes was aangetrouwd en kind aan huis in Hôtel de Rambouillet van Marie Rabutin-Chantal (1626-1696). Zij werd vooral bekend voor haar lange correspondentie met haar dochter en de eer die Proust haar bewees door haar schrijfstijl te prijzen. Je kunt je voorstellen dat in een select gezelschap de bouwheer en de kardinaal met haar gesproken hebben over de bouwopdracht dat onder genot van het spel op een viola da gamba het idee voor een analoge vorm bedacht werd. Je ziet de heren met hun bepoederde pruiken al enthousiast worden en de dames in hun jurken met queu’s beschaafd lachen achter hun hand. De muziek van Lully komt bij mij naar boven.
Misschien is maar goed dat dit idee geen trend geworden is in de 17e eeuw. Kerken in de vorm van een piano, fluit of hoorn, dat voert toch wat te ver. Niettemin is de kerk elke twee jaar een orkestzaal voor concerten met, inderdaad, de viola da gamba als hoofdingrediënt.

Informatie o.a. ontleend aan G. Tramuset, l ‘extraordinaire église d’Asfeld, s.l., s.a., s.n.





Cultuurhistorische hoogtepunten in de Franse Ardennen en directe omgeving beschreven door Annelies Abelmann.  

De Notre Dame de Bon Secours in Neuvizy: een Madurodam- versie van de Notre Dame in Parijs

 









Het gebied van de Ardennes eméraudes is bezaaid met kerken in allerlei soorten en formaten. De versterkte kerken van de Thiérache vormen een categorie apart en daar omheen liggen kerkjes met torentjes à la Lourdes, kleine Maria-kapelletjes en neogotische kathedraaltjes in zakformaat. Er is één opvallende uitzondering en dat is de kerk van Notre Dame de Bon Secours in Neuvizy die gebouwd is naar voorbeeld van de Notre Dame in Parijs, maar dan een slagje kleiner en zonder de spits van Viollet-le-Duc die recentelijk zo smartelijk verbrandde.


De op internet inmiddels legendarische brand van ruim een maand geleden roept eigenlijk veel vragen op. De oorzaak is toch wat moeilijk te duiden als je er niet met je neus boven op gestaan hebt en blijkbaar was niemand op dat moment in de buurt van het begin van de brandhaard om een getrouw ooggetuigenverslag te leveren. Twee oorzaken vechten om de eer: een menselijke fout of een technisch mankement. Jammer dat er niet een brandwacht aangesteld was, direct met het ingaan van het eind van de werkdag. Een technisch mankement blijft volgens deskundigen toch de meest voor de hand liggende oorzaak.





Enkele opvallende punten vallen te vermelden als het om de komende restauratie gaat: allereerst die gesneuvelde spits van Viollet -le- Duc. Het is geen geheim dat onder de mensen van het Franse cultureel erfgoed diens werken en overbodige toevoegingen helemaal niet gewaardeerd worden. De Fransen lijken hierin traditioneler te zijn in hun restauratieopvattingen dan hier ten lande. De negentiende eeuwse tierelantijnen, die wij waarderen van Pierre Cuypers c.s. gaan vele Franse restauratie-architecten te ver. Menigeen zal zich misschien verkneukeld hebben bij het zien van het instorten van het wat groot uitgevallen pinakeltje. Toch is er volgens manlief een miniatuur bekend waarop de kerk met een spits staat afgebeeld. Zo bizar is de vinding van Viollet-le-Duc dus niet.


Een ander punt is dat het bekend is dat de Franse katholieke kerk geen luis heeft om dood te knijpen. Anders dan haar Duitse zuster ontvangen de bisschoppen geen rooie cent. Ze zijn immers geheel onafhankelijk van de staat geraakt in 1905 en worden daarom geacht hun eigen broek op te houden. Hier ligt een akelig probleem voor de dure kerkgebouwen die de staat in haar bezit heeft. Want de staat beheert wel het gehele erfgoed in Frankrijk en die overheid heeft niet zoveel geld over om kerkelijk erfgoed te restaureren. Sterker nog het voorbeeld van de vroegtijdige afbraak van de kerk in Abbeville, waar de altaren nog in gewijde staat waren doet menig devoot mens rillen. Al bij het eerste vonkje vuur lijken staat en kerk de handen ineen geslagen te hebben om zoveel mogelijk donaties binnen te krijgen. Plotseling gaan bij Macron staat en kerk hand in hand in één geldstroom.


De verschillende zich zelf respecterende kranten hebben speciale uitgaven gepubliceerd met het verslag van de brand, de schatten die het inderdaad miraculeus overleefd hebben en vooral de enorme grote bedragen die een aantal Franse families gedoneerd heeft aan de kerk (of de staat, dat is nu om het even) om de restauratie aan te vatten. Het gaat om schrikbarend hoge bedragen, waarvan wel tien kathedralen gebouwd kunnen worden. Het lijkt erop dat kerk en staat een groots réveil van de Notre Dame voor ogen staat. Een operatie die op militaire leest geschoeid wordt en onder leiding staat van een belangrijke (katholieke) en inmiddels gepensioneerde brigadegeneraal. Apart, om hier zo’n prestige- project dat binnen vier of vijf jaar afgerond moet zijn voor een of ander voetbalevenement, waarin Frankrijk toch geen kampioen zal worden van te maken. In Frankrijk zelf verbazen ze zich er ook over. En wat mij voortdurend verbaast bij de inzet van gepensioneerden in West-Europa is de vraag waarom al die pensionado’s nu niet gewoon kunnen gaan vissen met hun kleinzoons of als het om dames gaat appeltaarten bakken met hun kleindochters. Volgens mij wordt iedereen daar veel gelukkiger van, maar de opa’s en oma’s zijn vastbesloten nutteloze monumenten van zichzelf voor hun nageslacht op te richten. Misschien ook wel een vorm van werkverschaffing door een generatie bij wie het geld te hoop loopt.





Maar er is iets gaande in Frankrijk: een niet onaardig historisch tijdschrift kopte zelfs hoe Europa eruit zag toen Frankrijk (dat is Napoleon) het nog voor het zeggen had. In de trant van ‘Er was eens een werelddeel dat geleid werd door nobele Fransen….’ Een teken dat het heel erg slecht gaat in het land. Een constatering die ik kan onderschrijven vanuit het gebied waar ik vakantie vier, waar in drie jaar tijd de welvaart zienderogen achteruit gegaan is.

Het aantal kerksluitingen is weliswaar fors, maar het aantal roepingen is zeker met 2000 per jaar niet gering. Het grote aantal afstotingen van kerkgebouwen staat namelijk in geen verhouding tot de hoeveelheid kerken die het land nog steeds rijk is. Alles is relatief. Zo’n klein, vergeten kerkje ben ik toevallig tegengekomen in de Thièrache.


Een kerkje dat veel katholieke Parijzenaars niet zullen kennen in een onbekend dorpje in de Franse Ardennen. Het is een getrouw kopietje van hun geliefde Notre Dame. Prachtig gelegen in de groene beboste heuvels tegen een helblauwe lucht, wit afstekend, als de zon schijnt weliswaar. Het is een genoegen om dit kerkje te bezoeken en de nabij gelegen Maria-weg te lopen door het bos. Wat hou ik van die ‘Waldandacht’: prachtig. Daar zijn moderne kunstwerken te zien die de sfeer van het bos combineren met devotie. Wat mis ik dergelijke moderne kunst in Nederland. Zou het zelf graag willen ontwerpen en maken natuurlijk. Een werk steekt er bovenuit. De anderen vallen binnen de categorie cerebraal geknutsel, waar in sommige musea inmiddels aandacht aan besteed wordt. Het grote neogotische middelpunt echter behoeft erg veel restauratie, waarvoor geen gelden binnenstromen zoals bij de Parijse grote broer, zoveel is duidelijk. Niet altijd is de combinatie van ‘Waldandacht’ en in dit geval historiserende kunst goed geslaagd. Ook het kerkje zelf heeft heel wat achterstallig onderhoud en zou een financiële injectie heel goed kunnen gebruiken. Overigens is het begrip ‘Waldandacht’ in piëtistische zin ook van toepassing op gewoon een verering van de natuur waarin het goddelijke zich openbaart. Je hebt er dus geen artistieke toevoegingen voor nodig. Een Wodan-eik omarmen, kan ook, maar dat is hedendaagse vorm van piëtisme.


Na het lezen van het opmerkelijke boek van Ruth Harris over Lourdes en de Lourdesdevotie ben ik overigens anders gaan kijken naar die ‘Waldandacht’. Terzijde merk ik op dat het een opmerkelijk boek is, omdat het de eerste publicatie is die heel duidelijk de beweging van het ultramontanisme in het katholieke verhaal van de negentiende eeuw vervlecht op een overtuigende manier. De plaats waar de verschijning plaatsvond was niet zomaar een plek in het bos in de Pyreneeën. Nee, het was een stuk grond waarover de gemeenschap twistte met de overheid onder meer over het gebruik van het hout: het sprokkelen van hout was een recht voor de gelovige boerenbevolking, maar de Franse overheid dacht daar in het midden van de 19e eeuw heel anders over. Ook hierover ging de strijd dus: het economisch gebruik van het bos.







Een dergelijke onwetendheid is te vergelijken met het gebrek aan kennis dat ik ooit had aangaande het schilderij ‘Angelus’ van Millet, waar elke kunsthistoricus een uiting van vroomheid op het platteland in ziet. Nog steeds. Maar de achtergrond is dat precies in het jaar dat dit werk gemaakt werd, het de kerk verboden werd het angelus te kleppen. Niets devote dweperij, maar gewoon een strijd om de openbare ruimte en de herrie die je daarin mag maken. Kun je toch zien hoe snel je op het verkeerde been gezet kunt worden als het om kunst gaat. Blijven opletten, blijven lezen vooral in niet-kunsthistorische literatuur, wikipedia alleen maar gebruiken ter verificatie van feitjes en vooral de ‘Katholieke Encyclopedie’ uit de jaren dertig raadplegen. Een opmerkelijk wetenschappelijk genuanceerd gedrocht.


Ik heb niet nagekeken of er in Frankrijk nog meer miniatuur Notre Dametjes staan. Het exemplaar in Neuvizy werd gebouwd in de jaren dat de katholieke emancipatie in deze gebieden een enorme opgang maakte en spoorlijnen werden ingezet om nieuwe bedevaartplaatsen te ontginnen en economisch te exploiteren, zoals in ons dorpje le Fréty met de S. Gorgon, dat herinneringen oproept aan de kerk in Lourdes.


In Neuvizy begon het met slechts een klein kapelletje voor een minieme dorpsgemeenschap na de vondst van een miraculeus Maria-beeldje in het midden van de 18e eeuw door een paar boerenkinderen. In een mum van tijd veranderde de vlek in een bedevaartsoord van indrukwekkende omvang. De Maria-weg in het bos leidt naar de plaats van de vondst van het beeldje. In 1865 werd de eerste steen gelegd voor een passende kerk, een imposant, misschien wel megalomaan bouwwerk voor zo’n plaatsje in opdracht van pastoor Nicolas Valentin. Bouwmeester Jean-Baptiste Couty werd gevraagd een kopie te maken van de Notre Dame met de drie beuken, transept en koor met de twee ingangstorens. De belangrijkste inrichtingsstukken, in kunsthistorische zin, van de kerk zijn de 35 glas-in-lood ramen die een catechisatie geven vanaf de schepping tot het eind der tijden. Vooral vooraanstaande persoonlijkheden uit het Oude Testament, Noach, Abraham, Mozes, Salomon, Jesaja en zo voort en zo verder en nog veel interessanter tien vrouwen worden uitgelicht. De vroegste glazen dateren uit het begin van de kerkstichting en noemen de namen van de stichters in mooie opdrachten, de latere ramen, na 1890 laten fotootjes zien van de stichters. Mooi hoe die technieken hier samen komen, net als op het bovenste laagje van de slagroomtaart waarop je een foto van de jarige kunt laten printen. Het rechteraltaar is als een reliquarium opgevat en toont het ooit gevonden Maria-beeldje en de ex voto’s aan de muren in de kerk getuigen van de levendige devotie die haar hier ten deel viel. De pastoor hield er van te spreken van zijn Lourdes in de Ardennen met het uiterlijk van de Notre Dame dan.


De bedevaartsplaats heeft veel bezoekers getrokken tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Daarna zal het aantal pelgrims gestaag afgenomen zijn zoals in zovele andere bedevaartsoorden het geval was. Het prettige van zulke plaatsen is dat er voldoende accommodatie voorhanden is om mensen te ontvangen. Zoals toiletgebouwen, die nog steeds onderhouden worden ook al is er op een doordeweekse dag geen hond te bekennen in dit kerkje, het dorp en haar Maria-bos.





Misschien dat elk verwaarloosd Notre Dametje in Frankrijk wat mag mee profiteren van de genadeloze toestroom van euro’s naar hun grote voorbeeld. Er schijnt inmiddels een rel losgebarsten te zijn rond de ‘dons’, zo kreeg ik de indruk bij het koppen snellen in de kranten die op tv getoond werden. De zoektocht naar een informatieve krant in mijn vakantieoord om deze rel nader te bestuderen, zoiets als de NRC, liep echter op niets uit. Er is in deze contreien geen enkele fatsoenlijke krant te vinden. Misschien dat daar ook een mooie taak ligt voor de Franse overheid: kennis over haar reilen en zeilen wat beter te spreiden. Maar terwijl ik dit schrijf realiseer ik mij dat iedere Frans huis een tv antenne heeft, maar of het bijbehorende apparaat altijd op de informatieve zenders afgestemd wordt, vraag ik mij af. Ook niet op zondag.




Cultuurhistorische hoogtepunten in de Franse Ardennen en directe omgeving beschreven door Annelies Abelmann.  

De kunstverzameling van een ultramontaanse verzamelaarster: Gabrielle-Uranie le Maistre de Sacy


Een reis door de kunstverzameling van een ultramontaanse verzamelaarster: de collectie in le musée Jeanne d’Aboville de la Fère in La Fère in het departement Aisne in Picardië 




Geliefde weet altijd op elke vakantie feilloos de kunsthistorische pareltjes uit een streek te vissen en daar koers naar te zetten. Na meer dan dertig jaar volg ik commentaarloos zijn keuzes en zelden vallen ze tegen. Ook dit keer niet, op een zwaar beregende achtste mei, een zaterdag in Picardië, ‘jour de libération’. Troostelozer kan bijna niet. Onderweg van Le Fréty naar La Fère in de regio Aisne zagen wij stille dorpspleintjes met voor de ‘mairies’ verregende dorpstenten staan. Zo sneu voor al die vrijwilligers die dit verzorgd hebben. Ik hoop dat ze ergens onder dak, droog, hun festiviteiten kunnen voltooien. De officiële kransleggingen, vlagvertoon en volkslied aubades waren al achter de rug, getuige de door de koude regen beslagen, in plastic verpakte ruikers en bloempotten, in de meeste gevallen omver gewaaid door de heftige hoosbuien. Ik vind het zo jammer van die prachtige potten en boeketten dat het plastic er niet af gehaald wordt en heb voortdurend de neiging dit even te doen, want altijd, overal laat ik mijn blik glijden langs de namen die in steen gebeiteld staan.

Het stadje La Fère lag er stil en verlaten bij en de eerste indruk was dezelfde als die ik had toen ik Leopoldsburg toevallig passeerde. In plaats van een grote leeuw op het plein, stond hier een zestig ton wegend beeld van de beeldhouwer Auguste Arnaud (1825-1883) voorstellend een ‘artilleur’ met een zwaar geweer over de schouder en een kanon achter zijn enorme benen. Het sierde het voorplein van een groot gebouw dat dienst gedaan had als militaire academie voor marine- officieren, opgericht door kardinaal Mazarin (1602-1661).

Het beeld was oorspronkelijk  bestemd voor één van de bruggen in Parijs, ‘Pont d’Alma’, maar op een gegeven moment aan La Fère geschonken. De brug was gewijd aan de overwinning in de Slag bij Alma door het geallieerde leger van Fransen, Britten en Osmanen op de Russen. Een belangrijke slag in de Krim-oorlog. Voor deze brug ontwierpen Arnaud en zijn collega Georges Diébolt (1861-1861) elk twee beelden, waarvan er nog twee ter plekke te zien zijn. Een Franse Zoeaaf van Diébolt en een Infanterist van Arnaud. De zoeaaf was niet in de dienst van de paus, zoals iemand misschien snel denkt, maar in dienst in het Franse leger onder Napoleon III. Wat beiden wel gemeen hebben, de zoeaaf en de infanterist,  is dat zij tot de lichte infanterie behoorden, het legeronderdeel waar altijd de meeste klappen vielen, aldus mijn partner. Op onze reis door dit gebied zouden wij nog méér namen van deze dappere krijgers tegengekomen die vooral gerekruteerd werden onder de Berber-bevolking in Noord-Afrika.
Een mogelijk parkeerplekje lieten wij wat te snel voorbijschieten en kwamen daardoor toevallig bij de dorpskerk terecht. Het is zo’n soort centrumpje, waar je door het eenrichtingsverkeer nooit op je bestemming lijkt te komen. Een kerkmuur waar wij met onze Up langs scheerde, trok direct mijn aandacht en bij het zien van de ingangspartij commandeerde ik geliefde te stoppen. ‘Synagoge’ riep ik enthousiast. Manlief heeft inmiddels een beetje genoeg van dat semitische gedoe, maar stopte toch gehoorzaam, empathisch als hij is als het om kunsthistorisch onderzoek gaat.

Het timpaan van de ingangspartij is versierd met een aardig beeldhouwwerk voorstellende Christus aan het kruis met aan weerszijden Ecclesia, gekroond en met kelk waarin zij het bloed opvangt, spuitend uit de zijde van Christus en Synagoga met een kroon die van haar hoofd gevallen is, afzijdig, met het Oude Testament in de hand en een gebroken staf. Helaas niet geblinddoekt, anders zou zij de mooiste, complete synagoga in steen zijn die ik ooit in steen gezien heb (en de vroegste?). De kerk bleek gewijd te zijn aan de blinde Montanus, aartsbisschop van Reims die koning Clovis gedoopt heeft.

Wij staan hier dus op de oudste plekken van het bekeerde Frankrijk bij een romaanse kerk die een respectabele leeftijd moet hebben met haar voorgangers erbij geteld. Volgens een leerling van Ary Scheffer (1795-1858), las ik later, behoorde het portaal tot de meest interessante beeldhouwwerken in Frankrijk en was het ouder dan de sculpturen aan de Notre Dame in Parijs. Men had het plan de ingangspartij in 1853 af te breken. De leerling was overigens wel bevooroordeeld, want hij was geboortig uit La Fère en wilde er alles aan doen om het authentieke karakter van de stad te behouden.

Hoewel ik op dat moment al snel conclusies trok over de mentaliteit van de katholieke bewoners van deze streek, kon ik nog niet weten hoe deze hypothese bevestigd zou worden na het zien van de te bezoeken collectie. Maar nader onderzoek zou nodig zijn om de historische achtergrond van de verzamelaarster te duiden in haar omgeving. Ook Ary Scheffer zouden wij weer tegen gaan komen tijdens een volgende excursie in dezelfde omgeving. In mijn geheugen had ik wel geprent dat ik vanuit mijn ooghoeken een neogotisch gebouw had zien staan bij het binnenrijden van het stadje met ‘Institut Lacordaire’ erop. Een school voor katholieke jongens vernoemd naar Henri Lacordaire (1802-1861), de grote inspirator van de katholieke jeugd en voorstander van onderwijsvrijheid. Hij werd na een lange omweg in 1827 tot priester gewijd en hechtte gedurende zijn hele leven bijzonder aan het begrip ‘vrijheid’. Daarmee schaarde hij zich onder het contigent katholiek-liberalen van wie Félicité de Lamennais (1782-1854) een leider was.  Charles de Montalembert (1810-1870) behoorde eveneens tot deze kring en hechtte evenzeer veel belang aan de vrijheid van onderwijs. De botsing die hierover met de pauselijke autoriteiten ontstond en de daarop volgende encycliek ‘Mirari vos’ uit 1834 had op alle drie een bijzonder negatief effect. Dit bracht hen in conflict met de steeds sterker wordende ultramontaanse richting binnen de kerk. Aardig detail uit het leven van Lacordaire is, dat hij prior van de Dominicaner orde werd en aan het begin stond van de heropleving van deze orde.

Het is moeilijk om de politieke gezindheid van deze mensen goed in te schatten in overeenstemming met hun soms bijna hysterische drang naar emancipatie van katholieken en hun geloof en het utopische verlangen naar een christelijke maatschappij. Huidige, vooral katholieke, oudere onderzoekers van naam benadrukken voortdurend het liberale karakter van de mannen en verwijzen daarbij naar bijvoorbeeld hun stemgedrag in hun functies van politieke vertegenwoordigers in allerlei gremia, maar wat is méér opportunistischer dan stemmen eigenlijk? En wat betekent liberaal-katholiek in verhouding tot niet-liberaal katholiek. Is de laatste categorie conservatief-katholiek? Volgens mij waren deze generaties allemaal liberaal omdat daar het meest te halen viel als het om vrijheid van godsdienst en onderwijs gaat tot 1848. Het is inderdaad te kort door de bocht door deze mensen en hun aanhang als ultramontaans te beschouwen, maar liberaal in de betekenis van niet zo erg ultramontaans katholiek? ‘L’Avenir’ een liberale krant, nee dat toch echt niet. Diegene die dit beweert, heeft de krant zelf nooit gelezen of heeft de behoefte de kerk te beschermen tegen al te kritische beschouwingen over de negentiende-eeuwse kerk. Daarbij is de ultramontaanse factie de ultieme overwinnaar en de vormgever van de kerk en heeft de liberale kant het nakijken gehad. Dat in het vervolg daarop de kerk een sociaal geëngageerde weg inslaat, heeft niets met de vermeende sociale gevoeligheid van deze mensen te maken of de roeping om het lot van het arbeidersproletariaat te verbeteren, maar alles met de ontdekking van de massa en de mogelijkheden deze groeiende bevolkingsgroep in te zetten voor de pauselijke zaak. Kortom met het vergroten van macht en invloed in de samenleving in een tijd dat de dreiging van de eindtijd, de apocalyps tot in de hoogste kringen van de kerk prelaten angst aanjoeg.

Zelf ben ik inmiddels redelijk ingevoerd in het begrip ultramontanisme, maar voor de mogelijke onwetende lezer wil ik wel herhalen wat de inhoud van deze ideologie is. In het kort komt het erop neer dat ultramontanen overtuigd zijn van het feit dat de paus niet alleen het primaat heeft in geestelijke en kerkelijke zaken, maar ook in wereldlijke. Kortom de paus staat boven keizers, koningen en presidenten. Ten aanzien van de teksten die op Wikipedia figureren over de bovengenoemde figuren en waarop iedereen tegenwoordig graag maar te sterk terugvalt, wil ik de onbevooroordeelde lezer waarschuwen dat er een trend is deze helemaal toe te schrijven naar een niet-ultramontaanse duiding van het katholicisme in de negentiende eeuw. In vergelijking met de teksten van ongeveer vijf jaar geleden is veel Wikipedia-informatie dus niet meer bruikbaar.

Enfin tot zover deze theoretische onderbreking. Wij vervolgden onze weg met een omweg naar het pleintje voor het museum. Het was het oude gerechtsgebouw, tegelijkertijd dienst gedaan hebbend als bibliotheek en museum, gebouwd in 1885. De verzameling schilderijen waar wij speciaal voor kwamen was daar ondergebracht op de eerste en tweede verdieping. De rechtbank en de bibliotheek waren al lang geleden vertrokken en waar die gehuisd waren, is onduidelijk. Als het de begane grond geweest, dan was de bibliotheek bedroevend klein en de rechtbank niet meer dan een balie.

Officieel zouden de deuren om 14.00 uur opengaan, maar het ongeduldig, eigenhandig de klink naar beneden drukken en daarmee een luid belgerinkel over mij afroepen, leidde ertoe de conclusie te trekken dat de poort al eerder geopend was. Een aardige, rood aanlopende, zenuwachtige en zwaarlijvige jongeman legde snel uit wat de bedoeling was. Trap op, entree betalen en de zalen boven bezoeken en de verdieping beneden met de archeologie. Ik legde even zo snel, maar vermoedelijk minder duidelijk uit dat ik nog op manlief wachtte. Samen togen wij naar boven, nadat ik alvast een stapeltje interessante brochures had klaargelegd voor de terugweg, infojunk als ik ben.

Van een Icom-kaart had het jongmens nog nooit gehoord, maar de entréeprijs van vier euro viel nog wel op te brengen. Een oud catalogusje (uit 2012!) kregen wij gratis mee. Er was inmiddels al een nieuwe uit 2017, die ook weer afgeprijsd was van 12 naar 5 euri. De hooguit duizend bezoekers die het museum jaarlijks ontving zullen niet bijdragen aan een vlotte verkoop van het boekwerkje waaraan vermoedelijk een wat moeizame voorgeschiedenis kleefde. Na vertrek kreeg ik zelfs nog een tweede oud-cataloogje mee, volgens mij van de schrijfster zelf. Ik heb maar niet om een signatuur gevraagd, want het was echt duidelijk dat het moeilijk lag. Onze gastheer legde nog even  opnieuw de gang van zaken uit niet geheel overtuigd van het feit of wij het begrepen hadden en bepakt en bezakt mochten wij de zalen betreden. Wat wij op onze beurt eigenlijk niet helemaal begrepen, want wij droegen tassen formaatje A3, wijde regenjassen en niet al te nette schoenen. Niet flitsen was het enige, grote gebod dat gold in de ruimten en dat gebod werd verspreid door slordig opgehangen a4-tjes. Eenzelfde categorie viel ook het gebod niet aanraken te beurt, maar dat waren wij sowieso niet van plan.

De verzameling van Jeanne (1772-1853), dacht ik nog voordat ik de teksten gelezen had, werd chronologisch gepresenteerd  met een onderscheid naar de aloude scholen. De oude colleges kwamen weer terug, maar o zo vol hiaten. Wat vergeet een mens toch veel gedurende zijn leven van lesstof die je eigenlijk alleen maar voor een tentamen in je hoofd stampt. Een groot deel van de collectie bestond uit Nederlandse werken. Verassend, zo’n verzameling te ontmoeten niet zo heel ver van het vaderland en daar volkomen onbekend. En verassend vrouwelijk, met mooie portretten van dames, thema’s die volgens mij vrouwen aanspreken zoals Orpheus en de Verering van Venus en ‘gevoelswerken’, getuigenissen van doorleefde emoties, zoals het achttiende eeuwse meisje dat treurt over de dood van haar gekooide vogeltje en devote onderwerpen die het vrouwenleven aanraken, zoals De Wijze en de Dwaze Maagden, een biddende Maria Magdalena en de Kroning van Maria. En niet te vergeten een aanvallend werkje met de uitbeelding van een nest jonge vogeltjes, spreeuwtjes volgens mij. Eigenlijk was het voor het eerst dat ik een verzameling van een vrouw uit de negentiende eeuw leerde kennen. De enige referentie die ik heb is Mme De Staël, maar niets is bekend over een kunstcollectie in haar Zwitsers kasteeltje. Natuurlijk hadden alle dames van stand de hand in de inrichting van hun salons, maar zo duidelijk geaccentueerd als hier, kende ik nog niet.

Mooi promotie-onderwerp overigens: een vrouwelijke collectioneur in de negentiende eeuw. In dit geval echter zijn de onderwerpen niet alleen vrouwelijk, maar lijken ze het ook goed te doen op de 18e en vroeg 19e eeuwse salons die dergelijke dames hielden. Diverse afgebeelde thema’s leidden zonder meer tot diepzinnige gesprekken over muziek, mythologie, godsdienst, natuur en geschiedenis. En niet te vergeten de illustere voorvaderen, die met mooie portretten acte de présence gaven en het familieverhaal cachet verleenden. Wat al direct opviel was het feit dat de collectie bepaald niet modernistisch genoemd kan worden en vermoedelijk de oerconservatieve mentaliteit van de katholieke plattelandsadel illustreert. Hoe ziet een contemporaine verzameling in Parijs eruit eigenlijk, bijeengebracht door een vergelijkbare vrouw of van stand? De verzameling ademde dus naast vrouwelijkheid ook een flinke dosis historisme uit.

Langzaamaan kwam ik wat meer te weten. De collectie werd als laatste beheerd door Gabrielle-Uranie d’Héricourt (1796-1875), die bij schenking aan de stad in 1868 verordonneerde dat het museum de naam van haar moeder zou dragen, Jeanne d’Aboville. De collectie was oorspronkelijk vijfhonderd schilderijen rijk, maar niet meer compleet, want drie oorlogen waren er overheen gegaan en hadden hun sporen nagelaten, of liever gezegd hiaten veroorzaakt. In hoeverre de moeder van Gabrielle-Uranie nog daadwerkelijk bijgedragen heeft aan de collectie is niet bekend.

De dochter had trouwens een hechte band met haar moeder, getuige de opdracht “en souvenir de mon excellente mère, à qui je dois tout mon bien-être, ma position de fortune, qui m’a permis de me livrer au goût des arts, quoique dans des limites bien restreintes, et de former cette petite collection…’ boven de ingang. Dat ik nou net in het eerste jaar zonder moeder zo’n opdracht van een dochter tegenkom.

Al in de negentiende eeuw werd de collectie gecatalogiseerd en in 1965 werd de inventarisatie ondersteund door medewerking van het RKD in Den Haag. Volgens het meest recente boekje is de collectie veel geraadpleegd door buitenlandse kunsthistorici en leent het schilderijen uit aan belangrijke tentoonstellingen. Mooi, deze houding in vergelijking met de spasticiteit die officiële musea laten zien in hun uitleningsbeleid.

Gabrielle-Uranie werd in La Fère geboren uit het huwelijk van Jeanne met Louis François le Maistre. Haar mannelijke familieleden bekleedden functies in de militaire academie en in de Franse politiek en hadden de rang van baron. Indrukwekkend was de rol van haar grootvader in de Amerikaanse Revolutie aan de zijde van de befaamde Jean-Baptiste Donatien de Vimeur, comte de Rochambeau (1725-1807). Deze eindigde zijn loopbaan als gouverneur van Picardië en heeft nog voor de muren van Maastricht gestaan. Gabrielle-Uranie  trouwde met de arme Pantaléon-Charles-François du Trousset, comte d’Héricourt (1778-1837)  in 1817. Het huwelijk bleef kinderloos. Met zijn optreden in de slag van Dantzig wist Pantaléon de hoogste militaire onderscheiding te verkrijgen. Het echtpaar verliet snel na het huwelijk La Fère en woonde op verschillende plaatsen, waarbij Gabrielle-Uranie er regelmatig zelfstandig op uit trok. Of zij veel kennis van kunst heeft gehad, is niet bekend, wel dat zij een begaafde harpiste en pianiste was. Helaas is een befaamd portret van haar verdwenen en alleen in een zwart-wit prent overgeleverd, maar van haar moeder is wel een innemend portret van een anonymus bekend. Haar portret wordt door dezelfde A-viertjes over de zalen verspreid. Zij bouwde na de dood van haar man de collectie verder uit en wat ik opmerkelijk vond, was het feit dat zij als vrouw zelf speculeerde op de aandelenmarkt. Voor haar kunstaankopen misschien?

Bij het lezen van de naam Le Maistre gingen bij mij weer allerlei ultramontaanse belletjes rinkelen, maar dat ‘le’ misschien ook ‘de’ zou kunnen zijn, dacht ik niet. Toch is het aardig nog even de naam van Joseph de Maistre (1753-1821), de  grote tegenstander van de Franse Revolutie en de grondlegger van de ultramontaanse theocratie te noemen. Nee, familie waren zij niet van elkaar, maar toch wel toevallig want al kun je twisten over hoe liberaal de ultramontaanse plattelandsadel was, ze zullen altijd en overal meer geneigd zijn tot overtuiging van De Maistre als je het hen op de man af zou vragen dan tot het liberalisme.

Het begin van de verzameling werd door haar man aangelegd en omvatte ongeveer 45 werken en zij bouwde het uit tot vijfhonderd objecten. De collectie liet Gabrielle-Uranie in 1860 aan haar geboortestad na met de bepaling dat het museum de naam van haar moeder zou dragen. Over het jaartal bestaat onduidelijkheid, het ene tekstje noemt 1860 en het andere 1868. In 1869 werd in ieder geval een deel van de collectie voor publiek opengesteld en in 1881 aangevuld met de rest van de schilderijen.

De zwaarste aanslag op de collectie was het bombardement in 1870 door het Duitse leger. In de Eerste Wereldoorlog werd het stadje bezet door dezelfde Duitsers en werd de collectie overgebracht naar Valenciennes en vervolgens naar Brussel. Na afloop van deze oorlog werd duidelijk dat ruim 73 werken niet meer aanwezig waren. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de collectie op tijd overgebracht naar Pierrefonds, waar het onaangetast de strubbelingen overleefde. De grootste diefstal is dus gepleegd tijdens de overdracht van de werken in de Eerste Wereldoorlog door de Fransen zelf.

De tentoonstellingszalen zijn een expositie op zich. Waarschijnlijk is er sinds de laatste inhuizing van de schilderijen na de Tweede Wereldoorlog niets veranderd aan de ruimten. De verf bladdert er flink van af en de vochtvlekken zijn te zien. Wel is geprobeerd het klimaat te beheersen door in alle ruimten hygrometertjes te plaatsen en luchtontvochtigers aan te zetten. Bijna aandoenlijk, maar vermoedelijk wel effectief gezien de conditie van de werken, die niet eens zo heel slecht is over het algemeen. Zelfs opvallend goed gezien het feit dat voortdurend geldgebrek een grondige restauratie en conservering heeft gefrustreerd. Wel is de grote discrepantie met de website en het laatste cataloogje wel wat te heftig. Je kunt je wel digitaal fenomenaal presenteren, maar je als je dan in zo’n afgeleefde bende komt met prikborden uit de jaren zestig waarop plaatjes geplakt zijn? Nee, dat zou toch niet mogelijk moeten zijn. Had dan het geld voor de site besteed aan een verbetering van de fysieke presentatie, maar misschien staat het water de eigenaren van deze collectie wel aan de lippen. Uiteindelijk is het stadje één van de meest naargeestige drugsstadjes in Noord-Frankrijk die ik ooit gezien heb en zullen onder de duizend jaarlijkse bezoekers vermoedelijk veel schoolklasjes uit het stadje zelf zijn die door het museum gejaagd worden.

De presentatie begint met Renaissance-werken waaronder een ‘Geseling van Christus’ uit de tweede helft van de 15e eeuw toegeschreven aan een kunstenaar uit de Duitse school en een méér opvallender werk van een halve eeuw later, voorstellend het ‘Martelaarschap van de tienduizend’ van een Saksisch meester. De moord op tienduizend tot het christendom bekeerde Romeinse soldaten op de berg Ararat in Armenië door  de keizer. Kenmerkend voor dit verhaal is de akelige uitbeelding van lichamen die gespiest worden door takken, zoals Albrecht Dürer zich dit voorgesteld had. Aantrekkelijk voor de negentiende eeuwse, ultramontane katholiek is de uitbeelding à la Sebastiaan.




Persoonlijk stond ik wel even te kijken naar het merkwaardige retabel toegeschreven aan Aertgen van Leijden (1498-1564) onder voorbehoud met de ‘Opwekking van Lazarus’ uit 1557.  Het werk bevatte nog de oorspronkelijke omraming. Geweldig. Het werk wordt ook wel het ‘Booth-retabel’ genoemd naar de opdrachtgever Vranc Booth, een Haagse advocaat. Zijn ouders staan afgebeeld op een zijpaneel (zij stierven een jaar voordat de opdracht uitging) en hijzelf staat als stichter op  het andere, samen met zijn vrouw en talrijke kinderen geportetteerd. Je kunt het retabel in ronkende termen beschrijven als een synthese tussen het Noordelijke maniërisme en de Italiaanse school, maar het lijkt ook of het schilderij niet helemaal afgemaakt is en de merkwaardige stijlbreuk tussen middenpaneel en zijpanelen lijkt wat onbedoeld. Verschillende handen hebben hieraan gewerkt, maar het middendeel is iconografisch interessant. Lazarus, de man die wordt opgewekt uit de dood net zoals de katholieke kerk opgewekt uit haar lethargie in de negentiende eeuw. Al vind de in vooral in Nederland populaire vergelijking met het dochtertje van Jaïrus aantrekkelijker.

Erg boeiend vond ik ook het grote, iets latere werk van Maerten de Vos (1532-1603) met de ‘Dwaze en de Wijze Maagden’. Het verhaal, ons overgeleverd door Matheus mag wel als bekend voorondersteld worden. Ik leerde het al in de tweede klas van de lagere school tijdens de voorbereiding voor de eerste heilige communie. Het plaatje dat ingekleurd moest worden, onder meer van de meisjes met de olielampjes staat mij nog voor de geest. Hoe anders is deze uitbeelding: gecompliceerd op zijn minst en je kunt je afvragen of ze gesanctioneerd werd door de kerk. De voorstelling wordt aangevuld met de opstanding waarbij de Dwaze Maagden in het vagevuur terecht komen en heur Wijze zusjes door Christus persoonlijk de hemel ingeleid worden. Hij is wat afgedwaald van het midden, dat is niet correct volgens de kerk. Het was bij dit schilderij dat ik de ultramontaanse mentaliteit met het virulente religieus antisemitisme begon te herkennen. De citering van contra- reformatorische gedachtengoed met een apocalyptische visie in de negentiende eeuw ten top. De Joden die nog slechts een rol spelen in eschatologische zin, van wie er maar een paar nodig zijn voor de uiteindelijke uitverkoring. Ik eet mijn hoed op, als ik hier niet te maken heb met een katholieke vrouw die haar salon vulde met werken die ultramontaanse thema’s verbeeldden aangevuld met opvallend heidense werken, zoals de Orpheus en de Venus om de tegenstelling aan te geven en de discussie op gang te brengen over de ongewenste elementen in haar eigen omgeving. Wat ga ik nog meer tegenkomen?

In het vervolg van mijn bezoek ging ik dus de collectie met andere ogen bekijken en werd onder meer getroffen door een prachtig werk van Emmanuel de Witte (1617-1692) rond 1600 van een gefingeerde Dominicaner-kerk. De heroprichting van de Dominicaner-orde was niet het minste wapenfeit in de katholieke kerk in de Franstalige streken (en ver daarbuiten). Niet voor niets stond aan de stadsgrens het ‘Institut Lacordaire’ en zal de verzamelaarster in kwestie een warm pleitbezorgster zijn geweest voor katholiek onderwijs.

De bijgeleverde catalogi behandelen slechts een deel van de werken, inderdaad de topstukken. Maar voor mij was een ander schilderij dat buiten de catalogus viel veel opmerkelijker, namelijk een groot portret van Mozes met de stenen tafelen. Een laat 18e eeuws schilderij waarop een imponerende Mozes geschilderd door Jacques Dumont, genaamd ‘le Romain’(1689-1760). Weer een ultramontaans thema en in mijn beleving heden ten dage nog interessanter geworden, nadat een goed ingevoerde krant onlangs wist te melden dat men met zekerheid weet dat Mozes nooit bestaan heeft. Zul je toch net een managementboekje geschreven hebben over de leiderschapsstijl van Mozes voor Dummies. Echt effectief heb ik die leiding van Mozes nooit zo gevonden: veertig jaar door een woestijn trekken is toch wat erg lang. Maar goed had zijn volk maar méér geloof aan de dag moeten leggen. Leuk dat die twee druiventrosdragers van het eerste uur als enigen van de vertrekkenden het beloofde land mocht binnen trekken. Een religieus anti-semitisch thema bij uitstek die twee. Ongetwijfeld is de leiderschapsstijl van Mozez de reden waarom hij telkenmale van stal gehaald wordt als de katholieke kerk het wat benauwd krijgt. Mijn eerste steendruk was een Mozes. Hij komt daarop niet zo sympathiek over. Gek he, hoe dit soort beelden en emoties je werk beïnvloeden.

Natuurlijk is het jammer, om alle verdere schilderijen hier niet tot hun recht te laten komen. Het hoofdbestanddeel van de collectie wordt toch gevormd door landschappen, stillevens en genrestukjes. Hiervan wil ik toch nog even de ‘Ruïnes van de abdij van Egmond’ noemen van de hand van Salomon van Ruysdael (c.1600-1670), de oom van,  uit 1664. Vermoedelijk is dit schilderij het voorbeeld voor de gravure die van de ruïne van deze abdij bekend is. De herbouw van het klooster was een onderwerp van gesprek onder katholieken in het begin van de 19e eeuw: de trieste verwoesting in de tachtigjarige (burger) oorlog had een diepe wond geslagen en werd nog altijd betreurd.

De rode draad die ik toevallig gevonden heb wil ik nog even voortzetten en sla daarbij een magnifiek schilderij van Matthias Withoos (1627-1703) over, getiteld ‘Mors vincit omnia’ uit de late jaren 1660. De filosoof die uitgebeeld is in buste zou Seneca kunnen zijn. Dit zou wel eens het topstuk van de collectie kunnen zijn, maar past even niet in mijn betoog. Net als het prachtige ‘Mandje met pruimen’ van Pierre Dupuis (1610-1682) dat de beelddrager van het museum, de site en de recente catalogus geworden is.

Maar nu, bij de laatste redactie van deze tekst herinner ik mij de passages in het boek van Jan DeMaeyer over Arthur Verhaegen die handelen over het zware doodsbesef dat ultramontaanse katholieken aankleefde en dat bij een zoon van Wilhelm, Otto Mengelberg zo sterk overheerste. Wat een wonderwel mooie harmonieuze, ideologische verzameling is dit. Zo tref je deze maar zelfden aan. Een aardig detail op het schilderijtje vind ik de giftige paddenstoelen en het vingerhoedskruid. Maar dat zegt dan weer iets over de schilder zelf misschien?

Om de rode draad toch maar weer op te pakken, die ik gevonden heb en eigenlijk niet hoefde te onderbreken,  keer ik weer terug naar de eerste zaal, waar behalve de al genoemde werken ook een ‘Kruisiging’ van Martin Schongauer hangt (toegeschreven aan weliswaar) en een curieuze ‘Kroning van Maria’, die gedateerd wordt in de tweede helft van de 16e eeuw (niet geheel overtuigend, zou eerder 19e eeuws kunnen zijn) vervaardigd door een Noord-Franse kunstenaar. In een vitrine wordt ook een heel klein tweeluikje uit de laat Keulse school uitgestald, althans dat dacht degene die het werkje kocht of liet kopen, Gabrielle-Uranie.  Maar het blijkt een negentiende eeuwse vervalsing te zijn, dat ziet een ongeoefend oog al. In mijn beleving zie ik een Mengelberg, ik denk Otto senior  (de oom van) al bezig dit werkje te fabrieken, een vroeg 16-eeuws patina toe te voegen en zijn mecenas Alexander Schnütgen te plezieren met zijn vervalsing. Die het werk weer aan de Gabrielle-Uranie verkocht (want ze kenden elkaar allemaal, die katholieken, zoals de hoogleraar zei toen hij mijn netwerk-concept afwees) en van de centjes echte middeleeuwse religieuze kunst voor zijn eigen collectie kon aankopen, waarnaar ‘zijn’ kunstenaars weer konden werken. Want zoals Schnütgen meende, parafraserend, dat het niet gaat om de echtheid van de kunst, maar om de devotie van de waarnemer en de mystieke beleving die het oproept en net zo min om de artistieke kwaliteit, als het maar tranen van devote ontroering oproept. De ideale christelijke maatschappij zonder ruimte voor Joden, gekleurde mensen, moslims en nog een paar andere exotische groepen stond hem voor ogen. Tenzij die exoten meevechten in de christelijke oorlogen natuurlijk en als kanonnenvoer gingen dienen, zoals in deze omgeving meerdere malen het geval geweest is. Dan was er wel ruimte, maar de heldeneer ging naar de vaderlandse aanvoerders en officieren. Verschil moet er zijn, als je als lichte infanterie in de Tweede Wereldoorlog nog met een zwaard Duitse kanonnen werd geacht tegen te houden, zoals de Spahis overkwam bij La Horgne.




De conclusie van onze ontdekkingstocht over deze verzameling is, dat wij hier te maken hebben met een naar de 18e eeuw historiserende, encyclopedische collectie, waarin het verlangen naar de periode van vóór de Franse Revolutie terugkomt. Gelardeerd met thema’s die geheel passen in de lijn van de internationale katholieke beweging die begon in Groot-Brittannië met de Oxford-beweging en na 1870 zo sterk werd in Noord-Frankrijk, België, het Rijnland en delen van Nederland.  In de collectie is ook nog eens duidelijk een verwijzing terug te vinden naar de erfenis van de ultra-katholieke Ligue- partij in de 17e eeuwse rebellie die bekend geworden is als de Fronde. Het waren immers de voorvaderen van Jeanne die hierin meevochten, leden van Franse (plattelands)adel die overal in Europa zo’n nauwe band aangingen met koning of keizer en de paus.

Een nog niet gemeld topstuk in de collectie, hoort eigenlijk niet thuis in de conclusie, is een portret van de dochter Louis XV, Adelaide, van Élisabeth Louise Vigée le Brun (1755-1842) uit 179i. Adelaide was een aangetrouwde nicht van de gravin en dit werk is door vererving in de collectie gekomen. De familie behoorde tot een hogere laag van de Franse adel, dan de plattelandsadel. Samen met het schilderij van een onbekende van haar moeder Jeanne d’Arboville, zijn dit twee hele mooie portretten van zestig-jarige vrouwen die ik ken. Zo wil ik ook wel vereeuwigd worden. Over de verzamelaarster zou ik nog willen opmerken, dat in tegenstelling tot wat in de brochures en de teksten te lezen val, de dame wel zeker een groot inzicht in kunst en kennis van de kunstgeschiedenis had, maar dat de beschouwers in dit geval deze kennis niet konden terugvinden in de collectie, omdat zij de context misten van de hoofdrolspeelster in hun eigen verhaal.

Le musée Jeanne d’Aboville de la Fère, 5 rue de Général de Gaulle, 02800 La Fère. www.ville-lafere.fr



Gegevens werden ontleend aan Dérisson, E., La Fère. Musée Jeanne d’Aboville, Les amis du musée jeanne aboville, Châtillon-Coligny 2018 en Debrie, C., Le Musée Jeanne d’Aboville de la Fère, in de serie Art et Tourisme, s.l. 2012






Onderkant formulier